Vogel gezien? Identificeer hem direct met de Birdby-app
App openenOver de soort
De Groenling is een robuuste vogel, iets groter dan een Huismus, met een relatief grote kegelvormige snavel en een korte, gevorkte staart. Kenmerkend zijn de opvallende gele vlekken in de vleugels en aan de staartbasis. De soort staat bekend om zijn zangerige roep en trillende zangvlucht. De populatie heeft in sommige regio's te lijden gehad onder de vogelpokken, maar vertoont lokale hersteltekens.
Grootte en levensduur
- Lengte
- 14.5 - 16 cm
- Spanwijdte
- 25 - 28 cm
- Gewicht
- 25 - 35 g
- Levensduur
- Ongeveer 2 jaar in het wild, maximaal 8-9 jaar
- Voedsel
- Voornamelijk zaden (voorkeur voor kleine zaden van kruidachtige planten, zoals brandnetel, distel, en zonnebloemzaden in de winter), aangevuld met insecten, vooral tijdens het broedseizoen voor het voeren van jongen. Ze bezoeken vaak voedertafels en voederhuisjes.
Fysieke kenmerken
- Verenkleed
- Mannetjes zijn overwegend groengeel, met helder geel in de vleugelranden en aan de staartbasis. De borst is geliger, de rug groener, en de kruin grijsgroen. De vleugel- en staartpennen zijn donker met gele vlekken. Vrouwtjes zijn doffer gekleurd, meer grijsgroen of bruingroen, met minder opvallende gele vleugel- en staartvlekken. Juveniele vogels lijken op vrouwtjes, maar zijn zwaarder gestreept op borst en flanken, en hebben minder fel geel in de vleugels.
- Snavelvorm
- Korte, kegelvormige, stevige en vrij dikke snavel, ideaal voor het kraken van zaden. Vaak bleek hoornkleurig of geelachtig.
- Oogkleur
- Donkerbruin.
- Pootkleur
- Bleekbruin tot vleeskleurig.
- Onderscheidende kenmerken
- Robuuste bouw, opvallende gele vlekken in de vleugels en aan de staart, en een relatief grote snavel. De gele panelen in de vleugels zijn vooral goed te zien in vlucht. Heeft een karakteristieke trillende baltsvlucht.
- Uiterlijk jongen
- Zwaarder gestreept dan volwassen vogels, vooral op de borst en flanken, en overall doffer van kleur met minder heldere gele vlekken. Ze hebben een wat pluiziger uiterlijk.
- Seizoensveranderingen
- Plumagekleur blijft het hele jaar door vrij consistent, hoewel de intensiteit van de kleuren door slijtage van de veren in de loop van het jaar iets kan variëren. Er is geen duidelijke seizoensgebonden rui die resulteert in een significant afwijkend 'broedkleed' of 'winterkleed'.
- Geslachtsdimorfisme
- Ja, mannetjes zijn significant helderder geelgroen dan de meer gedempte grijsgroene of bruingroene vrouwtjes. De gele vlekken zijn bij mannetjes intenser.
Hoe herken je
- 1
Grootte en Vorm
Een stevige vogel, iets groter dan een mus, met een compact lichaam, een grote, kegelvormige snavel en een relatief korte, gevorkte staart.
- 2
Kleur (Mannetje)
Overwegend geelgroen lichaam, met heldere gele vlekken op de vleugelranden en aan de staartbasis. Grijsgroene kruin en nek.
- 3
Kleur (Vrouwtje en Juveniel)
Doffer en bruingroener dan het mannetje, met minder opvallende gele vlekken. Juvenielen zijn sterk gestreept op borst en flanken.
- 4
Vlucht
Golvende vlucht, maar let op de opvallende trillende baltsvlucht met stijve vleugelslagen en gespreide staart, vaak begeleid door zang.
- 5
Roep/Zang
Kenmerkende rinkelende roep ('tsjiet-tsjiet-tsjiet') en een langgerekte, nasaal klinkende 'tsweeee' of 'drrriiiiih' in de zang.
- 6
Gedrag
Vaak te vinden bij voedertafels in tuinen, waar ze zonnebloempitten eten. Foerageert vaak op de grond in kleine groepjes.
Leefgebied en verspreiding
- Biomen
- Gematigde bossen, struikgewas, agrarisch land, stedelijke en voorstedelijke gebieden.
- Verspreidingsgebied
- Grotendeels Europa, Noord-Afrika, West-Azië. Geïntroduceerd in Nieuw-Zeeland en Australië. Binnen Europa wijdverspreid, met uitzondering van het uiterste noorden en sommige eilandgebieden.
- Hoogtebereik
- Meestal van zeeniveau tot ongeveer 1000 meter, lokaal hoger in bergachtige gebieden mits geschikt habitat aanwezig is.
- Voorkeursomgevingen
- Randen van bossen, parken, tuinen, boomgaarden, heggenrijen, struikgewas, parkachtige landschappen en agrarische gebieden met voldoende beschutting en zaden. Ze gedijen goed in menselijke nabijheid, vooral waar voedselaanbod (zoals voedertafels) aanwezig is.
Gedrag
- Activiteitstijd
- Dagactief. Het meest actief in de vroege ochtend en late namiddag.
- Eetgewoonten
- Foerageert voornamelijk op de grond en in lage vegetatie. Gebruikt de sterke snavel om zaden te kraken. Kan ook acrobatisch aan zaden hangen, bijvoorbeeld aan distels. Bezoekt regelmatig voedertafels waar ze zonnebloempitten en andere zaden eten. Kan ook insecten vangen, vooral vliegende insecten tijdens het broedseizoen.
- Sociaal gedrag
- Buiten het broedseizoen leven Groenlingen vaak in losse groepen, soms in gemengde groepen met Vinken of Mussens. Ze zijn relatief sociaal bij voedertafels. Tijdens het broedseizoen vormen ze territoriale paren, hoewel koloniebroeden in losse vorm kan voorkomen.
- Vliegpatroon
- De normale vlucht is golvend. Kenmerkend is de baltsvlucht van het mannetje: een trillende, langzame vlucht met stijve vleugelslagen en gespreide staart, vaak begeleid door zang.
- Trekpatroon
- Overwegend standvogel in West-Europa. Noordelijke en oostelijke populaties zijn deels trekvogels die zuidelijker trekken in de winter. Jonge vogels kunnen ook meer zwerven. Ze trekken voornamelijk overdag.
- Territoriaal gedrag
- Mannetjes verdedigen een broedterritorium rond het nest, vooral tegen soortgenoten. De grootte van het territorium varieert afhankelijk van het habitat en voedselaanbod.
Zang en geluiden
- Zang
- Een reeks twinkelende en trillerige tonen, vaak onderbroken door een langgerekte, nasaal klinkende 'tsweeee' of 'drrriiiiih' klank. Wordt vaak ten gehore gebracht vanaf een hoge zitplaats of tijdens de baltsvlucht.
- Roep
- De meest kenmerkende roep is een snel, rinkelend 'tsjiet-tsjiet-tsjiet' of 'tjup-tjup-tjup', vaak in vlucht. Ook een kort, droog 'tjupp'. De alarmroep is een luidere, scherpere variant van de contactroep.
- Wanneer hij roept
- Het hele jaar door te horen, maar het meest frequent en intensief tijdens het broedseizoen, van februari tot juli. Zang is het meest prominent in de vroege ochtend en late namiddag.
Voortplanting
- Broedseizoen
- Meestal van april tot juli, soms met twee of drie broedsels per jaar.
- Nestgewoonten
- Het nest, gebouwd door het vrouwtje, is een compacte kom van takjes, mos, grassen en worteltjes, bekleed met fijnere materialen zoals haren en dons. Het wordt vaak goed verborgen in dichte struiken of lage bomen, meestal op een hoogte van 1 tot 3 meter boven de grond.
- Legselgrootte
- Meestal 4-6 eieren.
- Eierbeschrijving
- 3-6 eieren, glad, glanzend, witachtig tot bleekblauw of grijsgroen, met donkere vlekken en strepen, vooral aan de stompe kant.
- Broedperiode
- 12-14 dagen, voornamelijk door het vrouwtje.
- Uitvliegperiode
- 13-16 dagen. De jongen worden door beide ouders gevoed, voornamelijk met insecten en onrijpe zaden.
- Ouderlijke zorg
- Beide ouders voeren de jongen. Het vrouwtje broedt, het mannetje brengt voedsel. Na het uitvliegen worden de jongen nog enkele dagen door de ouders gevoerd totdat ze volledig zelfstandig zijn. Ze kunnen gezamenlijk de jongen van een tweede of derde broedsel voeren.
Waar te vinden
Tuinen en Parken
Zeer algemeen in tuinen, vooral waar voedertafels met zonnebloempitten aanwezig zijn, en in parken met dichte struikbegroeiing.
Agrarisch Land
Langs heggenrijen, bosranden en in boomgaarden in open landbouwgebieden.
Bossen
Vooral aan de randen van loofbossen en gemengde bossen, met voorkeur voor open plekken en struikgewas.
Stedelijke Gebieden
Ook in steden en dorpen, mits er voldoende groen en beschutting is.
Veldtips
- Luister naar de zang. De kenmerkende 'tsweeee'-roep en trillerige zang zijn vaak de eerste aanwijzing van hun aanwezigheid, zelfs als ze verborgen zitten.
- Bezoek voedertafels. Groenlingen zijn vaste gasten bij voedertafels in de winter. Bied zonnebloempitten aan om ze te lokken.
- Observeer baltsgedrag. In het voorjaar is de trillende baltsvlucht van het mannetje een uitstekende manier om de soort te identificeren.
- Let op dichte begroeiing. Groenlingen houden van dichte struiken en heggen, zowel voor nestgelegenheid als voor beschutting. Scan deze gebieden aandachtig.
Gelijkende soorten
Vink
Fringilla coelebs
Groenlingen zijn over het algemeen groener en hebben prominentere gele vlekken in de vleugels en staart. De Vink heeft opvallende dubbele vleugelstrepen (wit/roze) en een meer roestbruine borst bij het mannetje. De Groenling heeft een dikkere, kegelvormige snavel dan de Vink.
Kneu
Linaria cannabina
De Kneu is slanker en heeft een roodbruine rug en kop bij het mannetje in de zomer. De gele vlekken bij de Groenling ontbreken bij de Kneu. De snavel van de Kneu is fijner dan die van de Groenling.
Geelgors
Emberiza citrinella
De Geelgors is duidelijk geler op de kop en onderdelen en heeft een roodbruine stuit. De gele vlekken in de vleugels van de Groenling zijn afwezig bij de Geelgors. De zang van de Geelgors ('een-tje-tje-tje-tje-zeven') is ook zeer onderscheidend.
Snelle feiten
- Dieetvoorkeur:
- Zaden, vooral zonnebloempitten en zaden van distel en brandnetel
- Zang:
- Trillerig met kenmerkende lange 'tsweeee'-tonen
- Opvallend kenmerk:
- Gele vlekken in vleugels en staart
- Snavel:
- Groot en kegelvormig, geschikt voor zaden
- Sociale structuur:
- Vaak in groepen buiten het broedseizoen
Leuke weetjes
- De Groenling heeft een opmerkelijk vermogen om zaden met harde schillen te kraken dankzij zijn stevige snavel.
- Mannetjes voeren de vrouwtjes tijdens de broedperiode, zelfs terwijl zij op de eieren broeden.
- De populatie heeft de afgelopen decennia in sommige delen van Europa te kampen gehad met de ziekte Trichomonas gallinae, wat leidde tot significante dalingen.
- Hun naam 'Groenling' verwijst duidelijk naar de opvallende groene kleur van het mannetje.
Wetenschappelijke classificatie
- Rijk
- Animalia
- Stam
- Chordata
- Klasse
- Aves
- Orde
- Passeriformes
- Familie
- Fringillidae
- Geslacht
- Chloris
- Soort
- Chloris chloris
Ontdek de Groenling
Identificeer vogels overal
Gratis op iOS, Android en web. Foto- en geluidsidentificatie, complete soortendatabase en je persoonlijke lijst.
