Birdby LogoBirdby
Kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus)

Kokmeeuw

Niet bedreigd (Least Concern)

Chroicocephalus ridibundus

Vogel gezien? Identificeer hem direct met de Birdby-app

App openen

Over de soort

De Kokmeeuw is een middelgrote meeuwensoort, wijdverspreid in Europa en Azië, en een veelvoorkomende verschijning in diverse habitats, van kustgebieden tot stedelijke omgevingen. Kenmerkend is de donkerbruine (vaak zwart lijkende) kop in broedkleed en de opvallende rode snavel en poten. Het is een opportunistische eter en een sociale vogel die vaak in grote kolonies broedt.

Grootte en levensduur

Lengte
37-44 cm
Spanwijdte
90-105 cm
Gewicht
200-350 g
Levensduur
Gemiddeld 10-15 jaar, maximaal 32 jaar
Voedsel
Omnivoor (insecten, wormen, vis, aas, afval, zaden, bessen)

Fysieke kenmerken

Verenkleed
Volwassen vogels in broedkleed hebben een chocoladebruine kop (lijkt vaak zwart), witte hals, borst en buik, grijze rug en bovenvleugels. De vleugelpunten zijn zwart met witte randen. In winterkleed is de kop wit met een donkere vlek achter het oog en een kleinere vlek op de kruin. Juvenielen hebben een bruin gevlekte rug en vleugels, een bruine staartband en een oranje snavel met donkere punt.
Snavelvorm
Relatief slanke, puntige snavel. Rood in broedkleed, oranje-rood met donkere punt in winterkleed en bij juvenielen.
Oogkleur
Donkerbruin met een smalle witte oogring.
Pootkleur
Felrood in broedkleed, oranje-rood in winterkleed en bij juvenielen.
Onderscheidende kenmerken
De donkerbruine kop in broedkleed is zeer kenmerkend. In vlucht zijn de witte voorrand van de vleugel en de zwarte vleugelpunten met witte randen opvallend. De rode snavel en poten zijn ook goede identificatiekenmerken.
Uiterlijk jongen
Juvenielen hebben een bruin gevlekte rug en bovenvleugels, een bruine staartband en een oranje snavel met een donkere punt. De poten zijn oranje-geel. Ze missen de donkere kopkap van de volwassen vogels in broedkleed.
Seizoensveranderingen
Het meest opvallende seizoensverschil is de kopkleur: donkerbruin in broedkleed (maart-juli) en wit met een donkere oorvlek in winterkleed (augustus-februari). De snavel- en pootkleur zijn ook intenser rood in het broedseizoen.
Geslachtsdimorfisme
Geen significant seksueel dimorfisme in verenkleed of grootte. Mannetjes en vrouwtjes zien er identiek uit.

Hoe herken je

  1. 1

    Kopkleur (broedkleed)

    Let op de chocoladebruine (vaak zwart lijkende) kop. Dit is het meest onderscheidende kenmerk in het broedseizoen.

  2. 2

    Kopkleur (winterkleed)

    Zoek naar een witte kop met een duidelijke donkere vlek achter het oog en een kleinere vlek op de kruin.

  3. 3

    Snavel- en pootkleur

    De felrode snavel en poten in broedkleed zijn zeer kenmerkend. In winterkleed zijn ze oranje-rood met een donkere snavelpunt.

  4. 4

    Vleugelpatroon in vlucht

    Let op de witte voorrand van de vleugel en de zwarte vleugelpunten met een witte rand. De ondervleugel is wit.

  5. 5

    Grootte en bouw

    Een middelgrote meeuw met een relatief slanke bouw en een lichte, wendbare vlucht.

  6. 6

    Roep

    De kenmerkende lachende 'kwa-kwa-kwa' roep is vaak een goede indicator, zelfs voordat de vogel is gezien.

Leefgebied en verspreiding

Biomen
Kustgebieden, binnenwateren (meren, rivieren, plassen), moerassen, landbouwgebieden, stedelijke gebieden, parken, havens.
Verspreidingsgebied
Broedt in een groot deel van Europa en Azië, van IJsland en de Britse Eilanden oostwaarts tot in Oost-Siberië en Japan. Overwintert in West- en Zuid-Europa, Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Zuid-Azië.
Hoogtebereik
Voornamelijk in laaglanden, maar kan lokaal ook op hogere plateaus voorkomen, vooral tijdens de trek.
Voorkeursomgevingen
Voorkeur voor open wateren met aangrenzende vegetatie voor nestgelegenheid, maar ook zeer adaptief aan menselijke omgevingen zoals steden, vuilnisbelten en havens.

Gedrag

Activiteitstijd
Diurnaal (dagactief).
Eetgewoonten
Zeer opportunistisch. Voedt zich met insecten (vooral vliegen, kevers), wormen, kleine vissen, schaaldieren, aas, afval, zaden, bessen en soms eieren of kuikens van andere vogels. Zoekt voedsel op akkers, graslanden, stranden, vuilnisbelten en in stedelijke gebieden. Volgt vaak ploegende tractoren.
Sociaal gedrag
Zeer sociaal, broedt in grote, dichte kolonies. Vormt buiten het broedseizoen grote zwermen, vaak gemengd met andere meeuwensoorten. Rust en foerageert vaak in groepen.
Vliegpatroon
Lichte, wendbare vlucht met snelle vleugelslagen. Zweeft zelden. Vliegt vaak in grote, losse groepen, vooral tijdens de trek of op foerageerplaatsen.
Trekpatroon
De meeste populaties zijn trekvogels, die in de herfst naar warmere gebieden trekken en in het voorjaar terugkeren naar de broedgebieden. West-Europese populaties zijn deels standvogels of korte-afstandstrekkers. Scandinavische en Oost-Europese vogels trekken verder naar het zuiden en westen.
Territoriaal gedrag
Territoriaal rond het nest tijdens het broedseizoen, maar de kolonies zijn dichtbevolkt. Buiten het broedseizoen niet territoriaal.

Zang en geluiden

Zang
Heeft geen specifieke zang. Vocaliseert voornamelijk met roepen.
Roep
Meest kenmerkende roep is een schel, lachend 'kwa-kwa-kwa' of 'krrri-arrr'. Ook een kort, scherp 'kiek' of 'kerr'. De roepen zijn luid en vaak herhaald, vooral in kolonies of bij verstoring.
Wanneer hij roept
Het hele jaar door vocaal, maar het meest intensief tijdens het broedseizoen in de kolonies en bij het foerageren.

Voortplanting

Broedseizoen
April tot juli.
Nestgewoonten
Broedt in dichte kolonies, vaak op eilanden in meren, moerassen of langs de kust. Het nest is een slordige constructie van plantenmateriaal (riet, gras, takjes) op de grond, soms drijvend op watervegetatie.
Legselgrootte
2-4 eieren (meestal 3).
Eierbeschrijving
2-4 eieren, meestal 3. Variabel van kleur, van lichtgroen tot olijfbruin, met donkere vlekken en stippen.
Broedperiode
22-26 dagen, door beide ouders.
Uitvliegperiode
25-35 dagen na uitkomst. De jongen verlaten het nest vaak al na enkele dagen, maar blijven in de buurt en worden gevoerd door de ouders.
Ouderlijke zorg
Beide ouders broeden en zorgen voor de jongen. Ze verdedigen het nest en de jongen fel tegen predatoren.

Waar te vinden

Kustgebieden

Stranden, havens, estuaria en wadden, vooral tijdens de trek en in de winter.

Binnenwateren

Meren, rivieren, plassen, kanalen en moerassen, waar ze broeden en foerageren.

Stedelijke gebieden

Parken, stadsvijvers, vuilnisbelten en daken, waar ze profiteren van menselijk afval.

Landbouwgebieden

Akkers en graslanden, waar ze insecten en wormen zoeken, vaak achter ploegende tractoren.

Veldtips

  1. Luister naar de roep. De lachende roep is vaak het eerste teken van hun aanwezigheid, vooral in kolonies of bij foeragerende groepen.
  2. Observeer in groepen. Kokmeeuwen zijn zeer sociaal en worden zelden alleen gezien. Zoek naar groepen op water, in parken of op akkers.
  3. Let op seizoenskleed. Houd rekening met de veranderingen in kopkleur tussen broed- en winterkleed om verwarring te voorkomen.
  4. Kijk naar de vlucht. De lichte, wendbare vlucht met snelle vleugelslagen en het opvallende vleugelpatroon zijn goede identificatiekenmerken in de lucht.

Gelijkende soorten

Dwergmeeuw

Hydrocoloeus minutus

De Dwergmeeuw is kleiner, heeft een zwarte kop (niet bruin) in broedkleed, een donkere ondervleugel (Kokmeeuw heeft witte ondervleugel) en een kortere, fijnere snavel. De vlucht is meer 'terngelachtig'.

Stormmeeuw

Larus canus

De Stormmeeuw is groter, heeft een gele snavel (niet rood) en geelgroene poten. De kop is altijd wit, ook in broedkleed, met slechts fijne streepjes. De vleugelpunten zijn uitgebreider zwart zonder de opvallende witte voorrand van de Kokmeeuw.

Zwartkopmeeuw

Ichthyaetus melanocephalus

De Zwartkopmeeuw is iets groter, heeft een gitzwarte kop (niet bruin) in broedkleed, een stevigere rode snavel met een zwarte band en geen zwart op de vleugelpunten (volledig witte vleugelpunten). De roep is dieper en nasaal.

Snelle feiten

Wetenschappelijke naam:
Chroicocephalus ridibundus
Familie:
Laridae
Broedkleed kenmerk:
Chocoladebruine kop
Winterkleed kenmerk:
Witte kop met donkere oorvlek
Snavel/pootkleur:
Rood (broed), oranje-rood (winter)
Dieet:
Omnivoor
Sociale aard:
Zeer sociaal, broedt in kolonies
Trekgedrag:
Deels standvogel, deels trekvogel
Conservation Status:
Niet bedreigd

Leuke weetjes

  • De wetenschappelijke naam 'ridibundus' betekent 'lachend', verwijzend naar de kenmerkende roep van de vogel.
  • Kokmeeuwen zijn zeer adaptief en hebben zich succesvol aangepast aan stedelijke omgevingen, waar ze vaak profiteren van menselijk afval.
  • Ze volgen vaak ploegende tractoren om wormen en insecten te vangen die door de grondbewerking aan de oppervlakte komen.
  • In de winter kunnen Kokmeeuwen grote slaapplaatsen vormen, soms met duizenden vogels, vaak op ondiep water of op daken.
  • De Kokmeeuw is een van de meest voorkomende meeuwensoorten in Europa en speelt een belangrijke rol in veel ecosystemen als opruimer en predator.

Wetenschappelijke classificatie

Rijk
Animalia
Stam
Chordata
Klasse
Aves
Orde
Charadriiformes
Familie
Laridae
Geslacht
Chroicocephalus
Soort
Chroicocephalus ridibundus

Ontdek de Kokmeeuw

Identificeer vogels overal

Gratis op iOS, Android en web. Foto- en geluidsidentificatie, complete soortendatabase en je persoonlijke lijst.

Openen in app