Birdby LogoBirdby
Appelvink (Coccothraustes coccothraustes)

Appelvink

Niet bedreigd (Least Concern)

Coccothraustes coccothraustes

Vogel gezien? Identificeer hem direct met de Birdby-app

App openen

Over de soort

De Appelvink is een robuuste zangvogel, bekend om zijn extreem krachtige, kegelvormige snavel die in staat is om harde zaden en pitten te kraken. Het is een schuwe soort die vaak hoog in de bomen verblijft en zich voedt met zaden van verschillende bomen, met name kersen, pruimen en haagbeuk. De vogel is opvallend door zijn forse postuur, korte staart en karakteristieke koptekening.

Grootte en levensduur

Lengte
17-19 cm
Spanwijdte
29-33 cm
Gewicht
48-62 g
Levensduur
Gemiddeld 5-8 jaar, maximaal meer dan 12 jaar in het wild
Voedsel
Voornamelijk zaden, pitten van fruitbomen (kersen, pruimen), haagbeuk, esdoorn, beuk, evenals knoppen en in de zomer insecten om de jongen te voeren.

Fysieke kenmerken

Verenkleed
Volwassen mannen hebben een opvallende roestbruine kop met een zwarte teugel en kinvlek, een grijsblauwe nek. De rug is kastanjebruin, de buik is roze-bruin en de stuit is oranjebruin. De vleugels zijn donkerbruin met opvallende witte vleugelvlekken en een iriserende blauw-zwarte band op de tertials. De staart is kort en donker met een witte eindband. Vrouwtjes zijn over het algemeen matter van kleur, met een lichtere kop en minder contrastrijk verenkleed.
Snavelvorm
Zeer grote, kegelvormige, staalblauwe snavel in het broedseizoen die in de winterperiode geelachtig wordt. De snavel is extreem krachtig, aangepast voor het kraken van harde zaden.
Oogkleur
Donkerbruin.
Pootkleur
Roze-bruin of vleeskleurig.
Onderscheidende kenmerken
Massieve snavel, korte staart, grote kop, witte vleugelvlekken en iriserende blauw-zwarte band op de tertials, golvende vlucht.
Uiterlijk jongen
Jonge vogels lijken meer op het vrouwtje, maar hebben een lichter, geelachtig en gestreepte onderzijde. De vleugeltekening (witte vlek en blauw-zwarte band) is al aanwezig. De snavel is gelig.
Seizoensveranderingen
De kleur van de snavel verandert van staalblauw in het broedseizoen (lente/zomer) naar geelachtig in de herfst en winter. Het verenkleed van mannen kan in de winter iets doffer worden.
Geslachtsdimorfisme
Mannen zijn helderder en intenser gekleurd dan vrouwen, met een meer uitgesproken roestbruine kop en blauwgrijze nek. De zwarte tekening op de kop is bij mannen ook prominenter. De snavelkleur varieert met het seizoen (blauw in broedseizoen, geel in winter).

Hoe herken je

  1. 1

    Grootte en postuur

    Een grote, gedrongen vink met een korte staart en een opvallende nekloze verschijning.

  2. 2

    Snavel

    De extreem grote, kegelvormige snavel is de meest kenmerkende eigenschap, blauwgrijs in de zomer en geel in de winter.

  3. 3

    Vleugeltekening

    Opvallende witte vlekken en een iriserende blauw-zwarte band op de vleugels zijn goed zichtbaar, vooral in vlucht.

  4. 4

    Koptekening

    Oranje-bruine kop met een zwarte teugel en kinvlek (bij mannen prominent), een grijsblauwe nek.

  5. 5

    Vlucht

    De snelle, krachtige en sterk golvende vlucht is een goed identificatiekenmerk, vaak hoog in de boomtoppen.

  6. 6

    Roep

    De korte, metaalachtige 'tsik!' roep is vaak het eerste wat opvalt en verraadt zijn aanwezigheid.

Leefgebied en verspreiding

Biomen
Gematigde loofbossen, gemengde bossen, parken, grote tuinen en boomgaarden.
Verspreidingsgebied
Grotendeels Palearctisch, van West-Europa en Noordwest-Afrika oostwaarts tot Oost-Azië (Japan en China). In Europa wijdverspreid, ontbreekt in IJsland, Ierland en grote delen van Scandinavië.
Hoogtebereik
Meestal van zeeniveau tot ongeveer 1000-1500 meter, lokaal tot 2000 meter in gebergten.
Voorkeursomgevingen
Oude loofbossen met een open ondergroei, vooral met Haagsbeuk, eik, kers en pruim. Parken en lanen met oude bomen zijn ook geliefd.

Gedrag

Activiteitstijd
Diurnaal (dagactief).
Eetgewoonten
Voedt zich voornamelijk op de grond of in bomen, vaak zittend op een tak om zaden met zijn krachtige snavel te kraken. Kan ook insecten vangen, vooral in de broedtijd. Zijn sterke nekspieren en snavel maken het mogelijk om met wel 30-50 kg kracht druk uit te oefenen op zaden.
Sociaal gedrag
Tijdens het broedseizoen solitair of in paren. Buiten het broedseizoen kunnen ze in kleine groepen of zwermen van enkele tientallen vogels foerageren, soms samen met andere vinkachtigen.
Vliegpatroon
De vlucht is snel, krachtig en golvend, met korte perioden van vleugelklappen afgewisseld met glijden. Vaak hoog in de boomtoppen.
Trekpatroon
Deels standvogel, deels langeafstandstrekker. Populaties uit het noorden en oosten van Europa trekken zuidwaarts in de winter, terwijl populaties in West- en Centraal-Europa vaak standvastig zijn of kortere afstanden afleggen. In Nederland en België zijn het deels standvogels, deels wintergasten (vooral uit Oost-Europa).
Territoriaal gedrag
Territoria worden verdedigd door het mannetje tijdens het broedseizoen, voornamelijk door zang en dreiggedrag. Buiten de broedtijd zijn ze minder territoriaal.

Zang en geluiden

Zang
De zang van de Appelvink is relatief onopvallend en wordt zelden gehoord. Het bestaat uit een reeks korte, metaalachtige 'tsik' of 'zic' noten, afgewisseld met wat krachtiger, raspende tonen. Niet erg melodieus en vaak moeilijk te onderscheiden.
Roep
De meest kenmerkende roep is een kort, scherp, explosief 'tsik!' of 'zit!' geluid, klinkend als het tikken van twee stenen. Dit kan herhaald worden. Ook een zacht 'siek' of 'tsji-tsjit' als contactroep.
Wanneer hij roept
Voornamelijk tijdens het broedseizoen in de lente en vroege zomer. De roep is het hele jaar door te horen.

Voortplanting

Broedseizoen
April tot juli. Eén tot twee broedsels per jaar.
Nestgewoonten
Het nest wordt gebouwd door het vrouwtje, meestal hoog in een loofboom (bijv. eik, haagbeuk, kersenboom), goed verborgen in een vork van takken. Het is een stevig komvormig nest, gemaakt van takjes, wortels, korstmossen en bekleed met fijner materiaal zoals haar en mos.
Legselgrootte
2-7 eieren, meestal 4-5.
Eierbeschrijving
2-7 eieren (meestal 4-5) per legsel. De eieren zijn lichtgrijsachtig, crème-wit of lichtgroenblauw met bruine, paarsgrijze of zwarte vlekken en krabbels, vooral aan het stompe uiteinde.
Broedperiode
11-14 dagen, voornamelijk door het vrouwtje.
Uitvliegperiode
10-14 dagen na het uitkomen. De jongen worden door beide ouders gevoerd.
Ouderlijke zorg
Beide ouders voeren de jongen, vaak met insecten in het begin en later met gepelde zaden. Na het uitvliegen blijven de jongen nog enige tijd afhankelijk van de ouders.

Waar te vinden

Rijpe, grote loofbossen

Vooral bossen met een hoog aandeel haagbeuken, eiken, en esdoorns, waar veel zaden te vinden zijn.

Boomgaarden en parken

Plekken met oude kersen-, pruimen- en eikenbomen kunnen appelvinken aantrekken, zeker als er voldoende beschutting is.

Grote tuinen

Meer afgelegen tuinen met hoge bomen, vooral met besdragende en zaaddragende bomen.

Voederplaatsen

In de winter kunnen ze soms worden waargenomen op voedertafels met zonnebloempitten of andere harde zaden.

Veldtips

  1. Luister goed naar de roep. Omdat ze vaak schuw zijn en hoog in het bladerdak verblijven, is de karakteristieke scherpe 'tsik!' roep vaak de eerste aanwijzing van hun aanwezigheid.
  2. Scan boomtoppen. Gebruik een verrekijker om de bovenste takken van hoge loofbomen te scannen, vooral bomen met zaden of knoppen.
  3. Zoek naar gevallen zaden. Onder bomen zoals kers, pruim of haagbeuk kun je soms gekraakte zaden vinden, wat een teken kan zijn dat een Appelvink in de buurt is geweest.
  4. Wees geduldig en stil. Appelvinken zijn schuw en verstoppen zich gemakkelijk. Blijf rustig en beweeg langzaam om ze niet te verstoren.
  5. Bezoek in de winter voederplaatsen. In koude periodes zijn ze soms minder schuw en komen ze naar voederplaatsen in tuinen of parken.

Gelijkende soorten

Goudvink

Pyrrhula pyrrhula

De Goudvink is kleiner en heeft een massieve, zwarte snavel en geen witte vleugelvlekken. Het mannetje heeft een helderrode borst, het vrouwtje een grijsroze borst. De Appelvink heeft een veel grotere snavel en een bruinere, roze-achtige borst.

Groenling

Chloris chloris

De Groenling is aanzienlijk kleiner en slanker, met een groengeel verenkleed en een veel minder massieve snavel. De poten zijn ook anders gekleurd.

Snelle feiten

Grootste snavel van Europese vinken:
De snavel is in verhouding tot het lichaam extreem groot en krachtig.
Dieet specialiseert in harde zaden:
Kan kersenpitten met gemak краken dankzij zijn spierkracht (30-50 kg druk).
Schuwe bosvogel:
Vaak moeilijk te zien, verblijft meestal hoog in de boomtoppen.
Golvende vlucht:
Kenmerkend vliegpatroon met afwisselend vleugelklappen en glijden.
Deels trekker, deels standvogel:
Verschilt per geografische locatie, noordelijke populaties trekken zuidwaarts.

Leuke weetjes

  • De snavel van de Appelvink is zo sterk dat hij kersenpitten kan kraken met een kracht van wel 30 tot 50 kilogram, wat essentieel is voor zijn dieet.
  • In de winter kan de kleur van zijn snavel veranderen van staalblauw naar dof geel, wat een seizoensgebonden aanpassing is.
  • Ondanks zijn krachtige snavel en gedrongen bouw, is de Appelvink een relatief schuwe vogel die vaak verborgen blijft in het dichte bladerdak van hoge bomen.
  • Tijdens de vlucht is de Appelvink met zijn snelle en golvende bewegingen en karakteristieke roep vaak gemakkelijker te identificeren dan wanneer hij stilzit.

Wetenschappelijke classificatie

Rijk
Animalia
Stam
Chordata
Klasse
Aves
Orde
Passeriformes
Familie
Fringillidae
Geslacht
Coccothraustes
Soort
Coccothraustes coccothraustes

Ontdek de Appelvink

Identificeer vogels overal

Gratis op iOS, Android en web. Foto- en geluidsidentificatie, complete soortendatabase en je persoonlijke lijst.

Openen in app