Vogel gezien? Identificeer hem direct met de Birdby-app
App openenOver de soort
De casarca is een grote, opvallende eendsoort met een kleurrijk verenkleed. Ze vertonen kenmerken van zowel eenden als ganzen en zijn veelvoorkomend langs kustlijnen en in estuaria. Ze staan bekend om hun luidruchtige gedrag en territoriale aard, vooral tijdens het broedseizoen. Ze foerageren voornamelijk op ongewervelde dieren die ze uit modder en zand zeven.
Grootte en levensduur
- Lengte
- 58-71 cm
- Spanwijdte
- 110-133 cm
- Gewicht
- 0,8-1,6 kg
- Levensduur
- Tot 15 jaar in het wild
- Voedsel
- Voornamelijk kleine ongewervelde dieren zoals schelpdieren, wormen, insectenlarven en slakken; ook algen en waterplanten
Fysieke kenmerken
- Verenkleed
- Volwassen vogels hebben een opvallende witte kop met donkergroene glans, een brede roodbruine borstband, een zwarte buikstreep en zwarte rugveren. De bovendelen zijn wit met zwarte handpennen en een groene spiegel (speculum) op de vleugels. De onderzijde is wit. In vlucht zijn de witte voorvleugel en de donkere slagpennen goed zichtbaar. De snavel is helderrood.
- Snavelvorm
- Robuust, rood, met een opvallende snavelknobbel bij het mannetje tijdens het broedseizoen. De snavel is enigszins omhoog gebogen aan de punt.
- Oogkleur
- Donkerbruin
- Pootkleur
- Rozeachtig rood
- Onderscheidende kenmerken
- De combinatie van de witte kop met donkergroene tint, de roodbruine borstband en de rode snavel met knobbel (bij mannetje) is uniek. In vlucht valt de brede witte voorvleugel met de zwarte slagpennen en de groene spiegel direct op.
- Uiterlijk jongen
- Jongen zijn doffer van kleur, met een grijsbruine kruin en nek, witachtige wangen en onderdelen. De borstband ontbreekt. Ze hebben een grijsachtig roze snavel zonder knobbel en doffe roze poten. De vleugels zijn vergelijkbaar met volwassenen, maar de spiegel is doffer.
- Seizoensveranderingen
- De snavelknobbel van het mannetje is het meest prominent tijdens het broedseizoen en wordt kleiner of verdwijnt daarbuiten. Overige verenkleed verandert nauwelijks, hoewel de kleuren na de rui wat helderder kunnen zijn.
- Geslachtsdimorfisme
- Mannetjes zijn groter en hebben een opvallender, helderder rode snavel met een grotere snavelknobbel tijdens het broedseizoen. De kleuren van de vrouwtjes zijn iets doffer en de snavelknobbel is kleiner of afwezig. Het wit op de kop van het vrouwtje kan een vage, donkere vlek onder het oog hebben.
Hoe herken je
- 1
Verenkleed
Zoek naar de unieke combinatie van een witte kop (met donkergroene glans), roodbruine borstband, zwarte buikstreep en witte bovendelen met zwarte handpennen. De helderrode snavel is ook een belangrijke indicator.
- 2
Snavelknobbel
Let op een opvallende rode knobbel op de snavelbasis bij het mannetje, die vooral prominent is tijdens het broedseizoen.
- 3
Vlucht
In vlucht zijn de brede witte voorvleugel, de zwarte slagpennen en de felgroene spiegel op de vleugel zeer kenmerkend. De vlucht is krachtig en rechtlijnig.
- 4
Geluid
Luister naar de hoge, fluitende 'tiuw-tiuw' roep van het mannetje en het raspende, harde 'rrak-rrak-rrak' van het vrouwtje. De roepen zijn duidelijk onderscheidend.
- 5
Habitat
Zoek ze in typische estuariene gebieden, langs kustlijnen, op wadplaten en in zoutmoerassen. Ze zijn zelden ver van zout of brak water te vinden.
Leefgebied en verspreiding
- Biomen
- Kusthabitats, estuaria, wadplaten, zoutmoerassen, brakwaterlagunes, en soms grote binnenlandse meren en rivieren, vooral tijdens de ruiperiode.
- Verspreidingsgebied
- Broedt wijdverspreid in gematigde delen van Europa en Azië, van West-Europa tot Japan. Overwintert in Zuid-Europa, Noord-Afrika, het Midden-Oosten en delen van Azië. In Nederland en België het gehele jaar aanwezig, met toestroom van wintergasten.
- Hoogtebereik
- Voornamelijk laaglandgebieden nabij water; zelden in bergachtige streken.
- Voorkeursomgevingen
- Zout en brak water met grote modder- of zandplaten, vaak met lage vegetatie of duinen voor nestplaatsen. Rivierdelta's en aangrenzende graslanden zijn ook belangrijke gebieden.
Gedrag
- Activiteitstijd
- Diurnaal (overdag actief), foeragerend bij eb en rustend bij vloed.
- Eetgewoonten
- Foerageert door modder en zand te zeven met de snavel, waarbij kleine ongewervelde dieren zoals slakken, wormen en schelpdieren worden uitgefilterd. Soms ook door te grazen op algen en waterplanten aan het oppervlak. Vaak in groepen foeragerend op slikplaten bij laagwater.
- Sociaal gedrag
- Tijdens het broeden zijn paren territoriaal en kunnen ze agressief zijn tegenover soortgenoten. Buiten het broedseizoen vaak sociaal, vormt grote groepen, vooral tijdens de rui en in de winter. Sommige groepen kunnen duizenden individuen tellen op gunstige roestplaatsen.
- Vliegpatroon
- Rechtlijnig en krachtig met vrij snelle vleugelslagen. De witte voorvleugel en donkere slagpennen zijn zeer herkenbaar. Vliegt vaak in langgerekte lijnen of V-formaties.
- Trekpatroon
- Deels trekvogel. Noordelijk broedende populaties trekken zuidwaarts naar warmere kustgebieden. Een groot deel van de populatie concentreert zich jaarlijks in de Waddenzee voor de rui. West-Europese populaties zijn vaak standvogels of korte-afstandstrekkers.
- Territoriaal gedrag
- Zeer territoriaal tijdens het broedseizoen, zowel bij de nestplaats als bij foerageergebieden. Paartjes verdedigen hun broedterrein fel tegen indringers. Buiten het broedseizoen is de territorialiteit veel minder uitgesproken.
Zang en geluiden
- Zang
- Niet echt een zang. Mannetjes produceren een helder, fluitend 'tiuw-tiuw' of 'pie-joe' dat ze vaak herhalen, vooral tijdens de balts en vlucht. Dit klinkt iets lager dan het vrouwtje.
- Roep
- Vrouwtjes hebben een hard, raspend 'rrak-rrak-rrak' of 'kr-kr-kr', dat luider en sneller klinkt dan het mannetje. Dit wordt vaak gegeven tijdens alarmering of als contactroep. Bij gevaar hoor je een schelle, herhaalde 'kak-kak-kak' roep.
- Wanneer hij roept
- Het hele jaar door te horen, maar het meest prominent tijdens het broedseizoen (lente tot vroege zomer) wanneer ze territoriaal zijn en baltsen. Ook vaak luidruchtig in grote wintergroepen.
Voortplanting
- Broedseizoen
- April tot juli, met een piek in mei-juni.
- Nestgewoonten
- Broedt meestal in holen, vaak oude konijnenhollen in duinen, rivieroevers of dijken. Soms ook in holle boomstronken, onder struikgewas of in dichte vegetatie. Het nest is gevoerd met plantenmateriaal en veel dons.
- Legselgrootte
- Meestal 8-16 eieren, soms meer door 'dumpnesting' (meerdere vrouwtjes leggen eieren in één nest).
- Eierbeschrijving
- 8-16 crème-witte tot lichtgeelbruine eieren, zonder vlekken. Gemiddeld 68 x 49 mm.
- Broedperiode
- 29-31 dagen, voornamelijk door het vrouwtje, hoewel het mannetje in de buurt blijft en het territorium verdedigt.
- Uitvliegperiode
- 45-50 dagen. De jongen zijn nestvlieders en verlaten het nest kort na het uitkomen. Ze worden door beide ouders begeleid, soms ook door 'creches' van meerdere families gezamenlijk.
- Ouderlijke zorg
- Beide ouders begeleiden de jongen na het uitkomen. De jongen worden vaak in groepen (crèches) door één of enkele volwassen vogels geleid. Zowel mannetje als vrouwtje verdedigen de jongen fel tegen predatoren.
Waar te vinden
Kustgebieden en estuaria
Vooral in de Waddenzee en Delta van Nederland en België, maar ook langs andere kusten met brede modder- en zandplaten.
Zoutmoerassen en lagunes
Geschikte plekken met brak water en voldoende voedeselaanbod.
Binnenlandse wateren (tijdens rui)
Tijdens de ruiperiode kunnen ze in grote aantallen verzamelen op binnenlandse meren, vaak met een voorkeur voor grotere, open watergebieden.
Veldtips
- Eb en vloed. Zoek ze bij eb op de ontblote modder- en zandplaten waar ze foerageren. Bij vloed rusten ze op hoger gelegen oevers of zandbanken.
- Grote groepen. Buiten het broedseizoen verzamelen ze zich in grote groepen. Grote ruiplaatsen, zoals in de Waddenzee, zijn uitstekende plekken om ze te observeren.
- Geluid volgen. Hun kenmerkende roepen zijn vaak al van grote afstand hoorbaar en kunnen helpen om de vogels te lokaliseren, vooral in mistige omstandigheden of met slecht zicht.
- Broedplaatsen. In de broedtijd kunnen ze gevonden worden in duingebieden of op dijken waar konijnenholen aanwezig zijn. Ze verdedigen hun territorium fel.
Gelijkende soorten
Nijlgans
Alopochen aegyptiaca
De Nijlgans is groter en heeft een prominente donkerbruine vlek rond het oog ('bril') en een donkere borstvlek. Het verenkleed is beige-bruin met opvallende witte vleugelvlekken in vlucht, maar mist de duidelijke roodbruine borstband en zwarte buikstreep van de Casarca. De snavel is rood-roze met een donkere punt. Gedraagt zich meer als een gans.
Rosse Stekelstaart
Oxyura jamaicensis
Dit is een veel kleinere eend met een gedrongen bouw en een lange, stijve staart die vaak omhoog staat. De mannetjes hebben een helderblauwe snavel en zijn rossig bruin met een witte wang in broedkleed. Ze duiken veel meer en leven voornamelijk op zoet water. Helemaal geen verwarring mogelijk qua uiterlijk of habitat.
Snelle feiten
- Gedrag:
- Territoriaal tijdens broeden, sociaal daarbuiten.
- Broedlocatie:
- Meestal in holen, vaak konijnenhollen.
- Rui:
- Ruien massaal in de Waddenzee.
- Voeding:
- Zeefvoerder van ongewervelde dieren.
- Vlucht:
- Witte voorvleugel en donkere slagpennen kenmerkend.
Leuke weetjes
- Het woord 'casarca' is afgeleid van het Russische 'kazarka', wat 'wilde gans' betekent, wat de gansachtige kenmerken van de vogel benadrukt.
- Jonge casarca's van verschillende families vormen vaak 'crèches' van wel honderd kuikens die door een of enkele volwassen vogels worden bewaakt.
- Casarca's verliezen al hun slagpennen tegelijkertijd tijdens de rui, waardoor ze gedurende enkele weken niet kunnen vliegen. Dit is de reden dat ze dan veilige, grote wateren opzoeken.
Wetenschappelijke classificatie
- Rijk
- Animalia
- Stam
- Chordata
- Klasse
- Aves
- Orde
- Anseriformes
- Familie
- Anatidae
- Geslacht
- Tadorna
- Soort
- Tadorna tadorna
Ontdek de Casarca
Identificeer vogels overal
Gratis op iOS, Android en web. Foto- en geluidsidentificatie, complete soortendatabase en je persoonlijke lijst.
